Samenvatting: De charismatische beweging dringt er bij vele christenen op aan om
"in tongen te spreken" of, met andere woorden, om glossolalie (tongentaal) te
praktiseren. Wat is precies glossolalie en is het wel iets voor christenen? Deze
vragen worden hier behandeld. In het bijzonder wordt het meest voorkomende
argument (op basis van 1 Cor. 14) met verschillende argumenten weerlegd, maar
vooral op basis van een analyse van 1 Cor. 14. Er wordt geconcludeerd dat
christenen, net zoals de kerkvaders in de 2e eeuw, tongentaal als een ernstig
occulte praktijk zouden moeten afwijzen.
De gemeente waarbij deze studie werd gehouden is
openlijk negatief tegenover de "charismatische beweging". Ik heb toen op een
directe en negatieve manier gesproken, zonder te proberen me in "diplomatieke"
bewoordingen uit te drukken. Daarom wil ik eventuele charismatische lezers
waarschuwen dat zij de stijl van dit artikel als onaangenaam kunnen ervaren (wat
niet in mijn bedoeling ligt). Als zij bijzonder gevoelig zijn, is het misschien
beter dit artikel niet te lezen.
Overigens zie ik er inmiddels meer nuances in: zo maak ik nu een verschill
tussen occulte ervaringen en mystieke ervaringen (zoals visioenen die mensen
overkomen, en die niet gezocht worden...), en ben niet negatief over mystieke
ervaringen. Ik heb ook meer argumenten tegen glossolalie gevonden bij de
kerkvaders, en hoop ooit tijd hebben om een artikel daarover te schrijven. Ook
heb ik artikelen ontdekt van engelstalige theologen met verwante ideeën
hierover:
The Problem of Tongues in I Cor. 14: A Re-examination (by Robert Zerhusen )
Tongues at Corinth: Languages, not Ecstasies! (by Francis Nigel Lee)
Bruno Granger, 27 jan. 2000

"Volwassenonderwijs" gegeven op zondag 15 februari 1998
in de Baptistengemeente van Cahors
(Baptistengemeente van Pradines, rue Arnaud Béraldi, Labéraudie, F-46090
Pradines, France;
Predikanten: Paul Dedeyan, Tim Ross;
onderwijs: zondag om 10 uur, dienst: zondag om 11 uur).
Vertaald door Jaccoline Granger-de Keizer.


© Bruno D. Granger, Den Haag, maart 1998.

Inhoud:
Definities
Glossolalie in de heidense religies
Glossolalie binnen het christendom
Het belang van dit onderwerp
Het charismatische argument gebaseerd op de Eerste brief aan de Corinthiërs
Waarom de conclusie van dit argument onjuist is
Waarom het argument zelf onjuist is
Conclusie
Bibliografie

Opmerking m.b.t. de transliteratie van het oud-Grieks:
Omdat de uitspraak van oude Griekse dialecten (en met name van het Koine) erg
lijkt op de uitspraak van het moderne Grieks en daartegenover ver afstaat van
de, door Erasmus uitgevonden, kunstmatige uitspraak, heb ik de voorkeur gegeven
aan de moderne Griekse uitspraak.


Definities
Praten in tongen, glossolalie (en orakel, in sommige gevallen):
Verschijnsel waarbij een mens geluiden uit zonder ze te begrijpen en zodanig dat
deze geluiden geïnspireerd zijn door een geest anders dan de geest van deze
mens.
Deze geluiden lijken bijvoorbeeld op "beubeubeu beubeubeubeu" of "talaka
valatakapa kalamalakadabra".
"Glossolalie" is een recent woord dat wordt opgebouwd uit twee wortels van het
Grieks, voorkomend in het veertiende hoofdstuk van de Eerste brief aan de
Corinthiërs: "glossa" (glwssa) wat betekent "taal" of "tong" en "laleo" (lalew)
wat betekent "praten". Omdat de andere manieren om dit fenomeen te beschrijven
minder precies zijn ("orakel") of van een moeilijke stijl ("extatische
uitspraak", "onverstaanbare uitspraak"), zullen wij in het vervolg het woord
"glossolalie" gebruiken.
Mystieke, occulte ervaringen:
Spirituele ervaring, ontoegankelijk voor het verstand van degene die het
uitoefent. Een ervaring van dit soort overschrijdt de begrip- of
verwoordingsmogelijkheden; zij kan niet worden begrepen noch worden beschreven.
Zo'n ervaring blijft daarom "verborgen" voor het menselijk verstand. "Mystiek"
en "occult" zijn twee woorden stammend uit een wortel betekenend "verborgen"
("Mystiek" stamt uit een Griekse wortel, "occulte" uit een Latijnse).
Glossolalie-ervaringen behoren tot deze categorie.

Glossolalie in de heidense religies
Het betreft een heel oud fenomeen dat ook nu nog in vele religies voorkomt, in
het bijzonder onder die religies waar men contact zoekt met de geestenwereld
(tovenarij/sjamanisme, voodoo) ofwel de mystieke eenwording met het "Al"
(boeddhisme, shintoïsme). De beroemdste beoefenaar van glossolalie is
waarschijnlijk Mohammed, de stichter van de islam, geweest. Het fenomeen gaat
vaak gepaard met in-trance-zijn. Een andere persoon kan "de interpretatie"
ontvangen van de, door de eerste persoon geuite, geluiden.
Gezien het belang van de hellenistische wereld (dat wil zeggen: voortgekomen uit
het rijk van Alexander de Grote) voor de bestudering van het christendom, zullen
wij ons richten op de Griekse taal en cultuur. Drie Griekse wortels kunnen het
betreffende fenomeen beschrijven: "mantia" (manteia) dat wordt het meest
gebruikt voor de glossolalie, "christiria" (crhsthria) en "chrao" (craw).
Over glossolalie en de interpretatie ervan, wordt gesproken in het Oude
Testament (Deuteronomium 18:10) aangaande religieuze heidense praktijken. De
gebruikte woorden in de Griekse versie (genaamd "Septuaginta") van het Oude
Testament zijn:
"mantevomenos" (manteuomenoV): degene die glossolalie uitoefent (helaas
vertaald met "persoon die zich wijdt aan de waarzeggerij" in de
bijbelvertaling van Louis Segond);
"mantian klidonizomenos" (manteian klhdonizomenoV): degene die glossolalie
interpreteert (helaas vertaald met "die omens trekt" door L. Segond).
Het is interessant om op te merken dat in de bijbelvers (Deut. 18:10)
glossolalie op hetzelfde niveau gesteld wordt als de waarzeggerij en de
tovenarij (oiwnizomenoV en farmakoV) en streng verboden wordt.
Het fenomeen was erg bekend in de hellenistische oudheid. Het werd vaak gebruikt
om de gedachten van één van de goden of in het Grieks "daimonon" (daimonion, wat
uiteindelijk het woord "demon" geworden is) te weten te komen. Men consulteerde
de orakels die werden doorgegeven door mediums, in het Grieks "prophitis"
(profhthV, later het woord "profeet" geworden.) Een eerste medium ontving het
orakel in de vorm van glossolalie en andere mediums ontvingen de interpretatie
ervan. De beroemdste mediums uit de oudheid zijn waarschijnlijk de Pythia van
Delphi en de Sibillen; deze beoefenden glossolalie en werden vervolgens
geïnterpreteerd door talrijke andere mediums, genoemd door de schrijvers uit de
oudheid.




Glossolalie binnen het christendom
Tijdens de tweede helft van de tweede eeuw na Jezus Christus, in Phrygia, het
gebied van de stad Laodicea, heeft Montanus, een voormalige heidense priester,
een charismatische beweging gesticht, het Montanisme. Veel praktijken van de
montanisten (glossolalie, profetie, vasten, stuiptrekkingen, etc.) zijn opnieuw
geïntroduceerd door de verschillende charismatische bewegingen in de twintigste
eeuw. Net zoals de moderne charismatici hielden de montanisten vast aan de
belangrijkste christelijke dogma's, maar weken af van het christendom door hun
ervaringen en omdat zij dachten dat de bijzondere openbaring van God niet
opgehouden was met de geschriften van de apostelen. De beweging kende een groot
succes in Klein-Azië en verspreidde zich zodanig in de hele kerk dat zelfs de
christelijke denker Tertullianus zich er tot bekeerde. Deze was ook beïnvloed
door de leer van de stoïcijnen. Het stoïcisme, een beweging die te vergelijken
is met de "New Age"-beweging in onze twintigste eeuw, won veel aan belang in de
tweede eeuw door toedoen van keizer Marcus Aurelius. Er was dus een
vergelijkbare situatie als in de twintigste eeuw met een charismatische beweging
in de kerk en een "New Age"-beweging in het heidendom.
De omvang van het Montanisme bracht een reactie teweeg bij christelijke
apologeten (Apollinaris,Apollonius, Miltiades, Melito, Hippolytus, etc.). Deze
laatsten voerden bijvoorbeeld aan dat echte profeten onfeilbaar zijn, niet in
extase raken, geen glossolalie beoefenen en zich niet verrijken; iets wat wel
het geval was bij de montanisten (zie de kerkgeschiedenis volgens Eusebius
V:16:7-8; V17:1-4; V:17:18-19; V:18:1-11). De bisschoppen moesten het officieel
afkeuren, zelfs aangeven als demonisch (Eus. V:19) en de charismatici
excommuniceren (Eus. V:16:10) om hun ketterse leer langzaam te laten uitsterven.

Men vindt vervolgens sporadisch sporen van glossolalie in de kerkgeschiedenis.
Zo ook bij het Jansenisme (een ketterse beweging van katholieken die geloofden
in de uitverkiezing, waartoe ook Blaise Pascal behoorde) waarbinnen enkele
personen glossolalie en profetie beoefenden, maar afgewezen en beschouwd werden
als ketters door de andere jansenisten.
Men moet tot de twintigste eeuw wachten om opnieuw een charismatische beweging
te vinden, meer dan zeventien eeuwen na het Montanisme. De eerste charismatische
golf oftewel "Pinkster-opwekking" aan het begin van deze eeuw heeft in de eerste
plaats de leer verspreid dat alléén diegenen waren gered ("gedoopt in de Heilige
Geest") die de gave van glossolalie hadden ontvangen. Deze pinksterleer was
gebaseerd op een generalisatie van drie gebeurtenissen in het boek Handelingen:
het in-vreemde-talen-spreken op wonderbaarlijke wijze ten tijde van Pinksteren,
ten tijde van de bekering van de eerste heidenen en ten tijde van de bekering
van de discipelen van Johannes de Doper.
Vanaf de zestiger-jaren heeft de tweede opwekking, eigenlijk hier pas
"charismatisch" genaamd, glossolalie voorgesteld niet als het teken, de
bevestiging van de redding, maar als het spirituele kenmerk van de "volheid van
de geest", wat de hoogste vorm van christelijke spiritualiteit zou zijn. Deze
tweede beweging beriep zich op een interpretatie van het veertiende hoofdstuk
van de Eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs. Nog andere charismatische
golven zijn nadien opgekomen, zonder echter belangrijke veranderingen met
betrekking tot glossolalie.




Het belang van dit onderwerp
Een vraag...: Wat was het percentage charismatici in 1993 temidden van
Rooms-katholieken en de Protestanten (de Evangelischen inbegrepen) wereldwijd?
Antwoord:
Volgens David Barett (Status of Global Mission, 1993) bedroeg het percentage
charismatici temidden van de katholieken en de protestanten (evangelischen
inbegrepen) 20% in 1980, 25% in 1993 en zal dat oplopen tot 30% in het jaar
2000. Echter, volgens Patrick Johnstone (Operation World, 1993) bedroeg dit
percentage alleen 10% voor 1993. Desalniettemin bedroeg het percentage
charismatici tussen de evangelische christenen, volgens Johnstone 30% in 1993 en
zal dit stijgen tot 50% in 2000.
De traditionele pinkstermensen denken dat diegenen die níet in tongen kunnen
spreken de Heilige Geest niet hebben ontvangen (en daarom nog niet gered zijn);
de charismatici (tweede opwekking) denken echter dat diegenen die geen
glossolalie bedrijven niet vervuld zijn met de Heilige Geest. Tenslotte, volgens
de charismatische theologie (leer van het herstel) zal Jezus terugkomen om te
regeren over de aarde, zodra allen glossolalie zullen beoefenen. Deze
leerstellingen verklaren de aanhoudende bekeringsijver onder de charismatici,
hun infiltraties in de kerken en de talrijke kerkscheuringen die zij
veroorzaken.
Aan de andere kant hebben veel christenen hun intellectuele gaven teveel
verwaarloosd en zijn onkundig geworden om de charismatische argumenten te
verwerpen. Anderen weten niet van het bestaan van de klassieke apologetiek af en
zijn op zoek naar houvast in het geloof in de vorm van bijvoorbeeld spirituele
ervaringen. Deze redenen vergemakkelijken de aansluiting bij die beweging die
waarschijnlijk de omvang heeft overtroffen van het Montanisme.
De omvang van de charismatische beweging en de grote kans om blootgesteld te
worden aan de charismatische bekeringsijver maakt de glossolalie tot een
belangrijk onderwerp dat iedere christen zou moeten bestuderen. Te meer omdat
meerdere gedeelten in het Nieuwe Testament verbieden om zich te verbinden met
christenen die occultisme bedrijven en dus lid zijn van dezelfde vergadering of
christelijke gemeente. Het was daarom niet zonder reden dat de kerkvaders de
charismatici in de tweede eeuw streng veroordeelden en uitsloten. In het einde
van de twintigste eeuw zijn glossolalie en andere charismatische praktijken
opnieuw erg belangrijke onderwerpen voor de christenen geworden.





Het charismatische argument gebaseerd op de Eerste brief aan de Corinthiërs
Het is voornamelijk dit argument dat christenen overtuigt en daarom zullen we
ons niet verdiepen in andere charismatische argumenten. Dit argument is
gebaseerd op de interpretatie van het veertiende hoofdstuk van de Eerste brief
aan de Corinthiërs. Ik stel voor om nu te lezen 1Cor. 14:1-25.
Dit zijn de belangrijkste punten in de beargumentering van Charismatische kant:
Er is sprake in dit hoofdstuk van geestelijke uitingen (1Cor. 12:30; 14:1)
zonder begrip van de uitgesproken woorden (1Cor.14:2, 14, 15), glossolalie
dus.
Deze uitingen stichten degene die het uitoefent (1Cor. 14:4) en het is aan te
bevelen voor alle christenen (1Cor. 14:5, 18).
Concluderend dat glossolalie een gave is van de Heilige Geest, is het goed en
wenselijk om te bidden om deze gave te ontvangen en glossolalie te beoefenen.




Waarom kan de conclusie van dit argument niet correct zijn?
Bent u in staat om op deze vraag antwoord te geven?
Antwoord:
De conclusie van dit argument kan niet correct zijn vanwege talrijke redenen van
filosofische, bijbelse en psychologische aard. Ik zal alleen kort enkele
tegenargumenten noemen:
Bijbelse argumenten
De Bijbel leert om God lief te hebben met alle intellectuele vermogens, wat
deel uitmaakt van het grootste gebod (Matt. 22:37). Glossolalie is een
praktijk waarbij de rede, het verstand uitgeschakeld is en is daarom een zonde
tegen het grootste gebod.

De Bijbel leert dat de Heilige Geest een geest is van wijsheid en verstand
(Jes. 11:2). Hij kan daarom geen occult fenomeen, zoals glossolalie,
inspireren. Bovendien hebben alle, door God geïnspireerde, bijbelse personen
zich uitgedrukt in begrijpelijke taal, gebruik makend van analogieën
(vergelijkingen, gelijkenissen, enz.).

De Bijbel verbiedt de glossolalie en zijn interpretatie (Deut. 18:10). Jezus
zelf heeft de betekenisloze gebeden van de heidenen veroordeeld (Matt.
6:7-13).

De Bijbel leert dat, hoewel bepaalde activiteiten als gebed en bijbelstudie
goed zijn voor persoonlijke opbouw en welzijn, integendeel de gaven van de
Heilige Geest goed zijn voor de opbouw en het welzijn van anderen (1Cor.
12:7;.1Cor. 14:12, 26; Ef. 4:11-12; 1Pe 4:10; analoog met de leden van een
lichaam in 1Cor. 12). Het praktiseren van glossolalie door de charismatici is
vooral bedoeld voor de persoonlijke opbouw van degene die het beoefent en niet
voor anderen en kan daarom geen gave zijn van de Heilige Geest.
Filosofische argumenten
Logica en verstaanbaarheid zijn noodzakelijke grondslagen om de waarheid van
het christendom aan te tonen. Als het christendom praktijken zou leren zoals
glossolalie, dan zou het deze grondslagen verwerpen en dat zou een fatale
tegenstrijdigheid zijn.

Het goede en de zin van de taal, van de mondelinge uitdrukkingsvaardigheid,
bestaat in het doorgeven van ideeën en betekenis. Zowel degene die in
glossolalie spreekt als degenen die het horen, begrijpen niet wat er geuit
wordt. Glossolalie is daarom zinloos.

Zowel de filosofie als de Bijbel (Ps: 147:5, Jes. 41:28, Rom. 11:33) leren dat
God oneindig rationeel is en dat Zijn wil in overeenstemming is met Zijn
onveranderlijk karakter (zie ook: Num.23:19; Mal. 3:6; Jak. 1:17). God wil
daarom dat mensen rationeel zijn en de glossolalie niet uitoefenen (zie ook:
Spr. 10:13).

Psychologisch argument
Universitaire studies met betrekking tot glossolalie hebben laten zien dat het
hierbij niet gaat over een taal maar over een psychologisch (zie boek van John
P. Kildahl) en sociolinguïstisch (William J. Samarin) fenomeen. Bovendien hebben
veel geloofwaardige en niet-bijgelovige christenen (M. Unger, C. F. Dickason, G.
A. Birch, W. Bühne, F. Varak...) gedocumenteerde en verifieerbare gevallen van
glossolalie-bedrijvende christenen die door demonen bezeten waren, en dat
waargenomen in vele landen.




Waarom is het argument zèlf niet correct?
We hebben enkele tegenargumenten gegeven die de onjuistheid van de conclusie van
het charismatische argument voor de glossolalie aantonen. Het charismatische
argument moet daarom onjuist zijn. Kunt u de fouten vinden in dit argument?
Antwoord:
(1) Het woord "glossa" slaat niet op Glossolalie, maar op menselijke talen
"Glossa" (glwssa), het gebruikte woord in dit hoofdstuk van de Brief aan de
Corinthiërs om de talen-in-kwestie aan te duiden, verwijst óf naar het fysieke
spraakorgaan (in onze mond) óf naar talen die toegankelijk zijn voor het
menselijk begrip, zoals vreemde talen, maar nooit naar occulte fenomenen, zoals
glossolalie.
Het fenomeen van de glossolalie was goed bekend en werd vaak uitgeoefend in de
hellenistische wereld. De Grieken konden het beschrijven met woorden afstammend
uit drie wortels; "mantia" (manteia) werd het meest gebruikt. "Glossa", het
woord dat Paulus gebruikt in dit hoofdstuk, werd nooit gebruikt om te verwijzen
naar glossolalie. Zelfs Duitse theologen zoals Johannes Behm, die dit hoofdstuk
interpreteren als een beschrijving van de praktijk van de glossolalie in de
christelijke gemeente, gaven toe dat dit het enigste geval zou zijn waar
"glossa" gebruikt werd om glossolalie te beschrijven. Hun enige argument was dat
het fenomeen zoals hier beschreven vergelijkbaar leek met dat wat werd
gepraktiseerd in de heidense religies.
Een interpretatie zoals die van Johannes Behm heeft tot gevolg dat de bedoeling
van de, door Paulus gebruikte, woorden ernstig verdraaid wordt en kan niet erg
betrouwbaar zijn. Bovendien, waarom zou Paulus zich zo weinig helder uitgedrukt
hebben door het woord "glossa" te gebruiken, terwijl hij beschikte over meerdere
Griekse woorden met de juiste bedoeling? De charismatici kunnen antwoorden dat
Paulus het woord "glossa" heeft gebruikt om onderscheid te maken tussen de door
God geïnspireerde glossolalie en de glossolalie die geïnspireerd werd door de in
de andere religies vereerde demonen. Dit charismatische antwoord is
desalniettemin niet aanvaardbaar, want Paulus heeft niet geaarzeld om het woord
"prophitis" (profhthV, dat ons het woord "profeet" gegeven heeft) te gebruiken
om te verwijzen naar diegenen die de bijbelse openbaring doorgeven, terwijl
"prophitis" verwees naar de mediums van de heidense religies en in het bijzonder
naar diegenen die glossolalie bedreven om orakels te uiten.
(2) Deze talen konden geleerd woorden door onderwijs
Paulus betitelde diegenen die deze talen niet begrepen als "idiotis" (1Cor.
14:16,23,24). "Idiotis" (idiwthV, dat het woord "idioot" voortgebracht heeft)
verwijst naar een persoon zonder onderwijs, die niet geleerd, gestudeerd heeft
(en wordt ook gebruikt in Hand. 4:13 en in 2Cor. 11:6). Het betreft hier dus
normale talen die men leert door onderwijs en verstand en geen occulte uiting
zoals de glossolalie.
(3) Deze talen waren vertaalbaar
De woorden die Paulus gebruikt heeft om erop te wijzen dat deze talen vertaald
konden worden (1Cor. 14:5,13,26-28; zie ook 1Cor. 12:10,30) zijn afgeleid van de
Griekse wortel die het woord "hermeneutiek" heeft voortgebracht. Deze woorden
betekenen "vertalen, interpreteren, uitleggen" en impliceren het verstaan ervan
door de vertaler of uitleggen (deze woorden worden overigens vaak gebruikt in
het Nieuwe Testament met duidelijk in de zin van "vertaling", bijvoorbeeld in
Hebr. 7:2). Ik heb geen voorvallen gevonden waarbij deze Griekse woorden worden
in de context van het uitleggen van de glossolalie (men gebruikte toen sumballw,
shmainw of werkwoorden afgeleid van krinw...). Dit toont nog eens te meer aan
dat het hier geen occult fenomeen als glossolalie betreft.
(4) Waren deze talen onbegrijpelijk?
De theologen die in dit hoofdstuk een heidense praktijkuitoefening zagen, hebben
het argument naar voren gebracht dat de Korinthïers hun eigen uitingen niet
verstonden (1Ko 14:14-15) en dus daarom glossolalie beoefenden. Ondersteunt een
serieuze analyse van de tekst dit argument of maakt het het ongeldig?
Paulus zei in de verzen 14,15 en 19 dat de Corinthiërs zonder "verstand" spraken
en gebruikte hiervoor het Griekse woord "nous" (nouV), wat te maken heeft met
het verstand en het tegenovergestelde is van domheid. Het idee van Paulus is dus
niet dat de Korinthische sprekers hun eigen uitingen niet verstonden, maar dat
ze met domheid, zonder verstand, spraken (de ontkenning van "nous" geeft de
domheid te kennen, zoals bijvoorbeeld in het bijvoeglijk naamwoord "anitos" wat
men vindt in Lukas 24:25, Rom. 1:14, Gal. 3:1,3, 1Tim. 6:9, Titus 3:3). Dit hier
is des te meer frappant dat Paulus het werkwoord "ida" (weten, begrijpen)
gebruikt heeft in vers 16, dat is tussen de versen 14, 15 en 19; hij koos dus
erg fijntjes zijn woorden op een manier om nuances aan te brengen.
Bovendien heeft Paulus de werkwoorden "akouo" (1Cor.14:2) (akouw, waar het woord
"akoestiek" van afgeleid is), "ginosko" (1Cor. 14:7,9) (ginwskw) en "ida"
(1Cor.14:11,16) (oida, waar het woord "idee" van afgeleid is) gebruikt. Deze
drie werkwoorden zijn geschikt om een gemis aan begrip of aan het kennen van een
taal uit te drukken. Paulus zou ze dus gebruikt hebben (in de verzen 14,15 19)
als hij bedoelde dat diegene die een van deze talen sprak, niet begreep wat hij
zei.
Concluderend, de tekst van de verzen 14 & 15 toont aan dat deze talen werden
uitgeoefend met domheid, maar niet zonder de eigen uitingen te verstaan, zoals
in het geval van glossolalie.
(5) Degene die deze talen sprak, begreep wat hij zei
Paulus zei (1Cor.14:28) dat diegenen die één van deze talen sprak, sprak tot
zichzelf en tot God bij gebrek aan vertaling. Maar hoe kan men tot zichzelf
praten zonder de eigen woorden te begrijpen?
Bovendien, bepaalde verzen (1Cor.14:16-17;11-12;5-6) tonen duidelijk aan dat
deze talen niet tot opbouw konden leiden als ze niet begrepen werden. Nu, Paulus
heeft evenzeer ook geleerd dat diegene die één van deze talen sprak, werd
opgebouwd (1Cor.14:4). Dus degene die één van deze talen sprak, verstond wat hij
zei. Dit punt kan ook bewezen worden met de versen 16 en 17. Paul zegt daar dat
iemand geen "amen" kon zeggen op een gebed in een van deze talen zonder die taal
te kunnen verstaan, en dat degene die in een van deze talen bad "amen" op zijn
eigen gebed kon zeggen. Daaruit volgt dat degene die in een van deze talen bad
die taal verstond.
Degene die deze talen sprak verstond dus wat hij zei, er is daarom geen sprake
van een occulte ervaring zoals glossolalie in dit hoofdstuk.
(6) Het betrof normale talen
Paulus zegt in 1Cor.14:18 dat hij meer talen sprak dan alle leden van de kerk
van Corinthe bij elkaar. Sommige theologen hebben hierin het bewijs gezien dat
Paulus een groot aanhanger van de glossolalie was en het bovenmatig uitoefende.
Maar Paulus was buitengewoon druk met zijn missionaire en beroepsactiviteiten
(dag en nacht: 1Thess.2:9; 2Thess.3:8), was overstelpt met de zorg voor de
gemeenten die hij had gesticht, etc. (2Cor. 12:23-28). Paulus kon niet meer tijd
hebben dan elk gemeentelid van de kerk te Corinthe om de glossolalie uit te
oefenen; des te minder kon hij het alléén méér uitoefenen dan alle kerkleden bij
elkaar. Er kan daarom hier geen sprake zijn van glossolalie.
Of zou Paulus meer tijd gehad hebben, omdat hij thuis glossolalie beoefende,
terwijl de Corinthiërs het alleen in de kerk beoefenden? Opnieuw, Paulus was
zeker te druk om het vaker te beoefenen dan de Corinthiërs. Bovendien is er in
het hele Nieuwe Testament geen sprake van zo'n praktijk: waarom zou Paulus veel
tijd aan zoiets wijden en dan er nooit melding van maken in zijn brieven? Deze
uitleg is daarom niet aanvaardbaar. Zo'n praktijk zou temeer absurd en zelfs
zondig zijn, omdat Paulus ook uitdroeg dat deze talen spirituele gaven zijn en
dat deze daarom voor de opbouw van anderen gebruikt moeten worden en niet voor
persoonlijke opbouw (1Cor.12:7;1Cor.14:12,26; Efez.4:11-12; 1Petr.4:10).
Of zou het hier taalwonderen betreffen, zoals in de drie gevallen van op een
wonderlijke manier spreken in vreemde talen die genoemd zijn in het boek
Handelingen (hfdst. 2,10&19)? Deze taalwonderen maakten het mogelijk een
taalbarrière te overbruggen en de christelijke boodschap begrijpelijk te maken
voor vreemdelingen. Maar, tegenovergesteld hieraan, de genoemde talen in deze
brief aan de Corinthiërs waren juist niet begrijpelijk voor andere personen.
Bovendien zijn deze taalwonderen éénmalige fenomenen geweest en geen geestelijke
gaven die men ontwikkelt en regelmatig beoefent. En het boek Handelingen, dat
verhaalt over de reizen en de wonderen van Paulus, geeft nergens aan dat Paulus
zulke wonderen heeft verricht. Te meer, hoe zou Paulus kunnen weten dat hij deze
vreemde talen vaker op wonderlijke wijze had gesproken (en dat heeft hij zeker
nooit gedaan) dan de leden van de kerk te Corinthe? Deze derde verklaring is
daarom ook niet aanvaardbaar.
De mogelijkheid die overblijft is dat deze talen normále vreemde talen waren,
zoals al eerder beargumenteerd onder punt (2). En deze mogelijkheid is de enige
tevredenstellende verklaring. Het is moeilijk om iemand te vinden die in zoveel
plaatsen gewoond heeft als Paulus (zie Handelingen) en ook zo begaafd was met
talen (Paulus sprak Aramees, Hebreeuws, Grieks en waarschijnlijk ook Latijn,
Arabisch, Syrisch en talrijke dialecten uit Klein-Azië en Griekenland). Paulus
had zeker de mogelijkheid gehad om meer vreemde talen te leren dan al de leden
van de kerk te Corinthe en kon met zekerheid zeggen dat hij meer talen sprak dan
zij allen bij elkaar.
Kortom, het betreft hier normale talen en niet de glossolalie.
(7) Wat is dan de correcte uitleg van de ideeën van Paulus?
U zou nu in staat moeten zijn om deze uitleg te vinden. Om u te helpen, vraag ik
u na te denken over de verzen 15 tot en met 19.
Antwoord:
We kunnen nu begrijpen waarom Paulus zegt dat degenen die deze talen spraken,
het deden zonder verstand (1Cor. 14:14 en 15). De personen die deze talen niet
kenden, konden die niet verstaan zonder vertaling en werden dus niet opgebouwd
(1Cor.14:4-6, 12,17). Welnu, tegenovergesteld aan persoonlijke activiteiten, het
doel van de gaven van de Heilige Geest is de opbouw van anderen, van de Kerk
(1Cor.12:7; 1Cor. 14:12,26; Efez.4:11-12; 1Petr.4:10). Bijgevolg, degenen die
hun gaven beoefenen (zij het: onderwijs, pastorale zorg of, zoals in dit geval,
het spreken in vreemde talen) zonder dat anderen hierdoor worden opgebouwd, doen
het zonder nut en dus zonder verstand, op een domme manier (zie de opmerking
hierboven over het Griekse woord "nous").
Mijn vrouw, hier aanwezig vanmorgen, is Nederlandse. Als zij in het Nederlands
hardop zou bidden tijdens de dienst in deze Franse kerk, dan zou zij opgebouwd
worden door haar eigen gebed (1Cor.14:4), maar omdat de Franstaligen haar niet
zouden kunnen begrijpen, zou zij alleen tot God spreken (1Cor.14:2) en tot
zichzelf (1Ko 14:28); de anderen zouden niet opgebouwd worden (1Cor.14:17) en
dit zou dom zijn van haar (1Cor.14:14,15,19).
Het geval van mijn vrouw zou een illustratie kunnen zijn van de situatie in de
gemeente van Corinthe. Corinthe was in de tijd van Paulus een belangrijke
Romeinse kolonie met een internationale haven. Naast de Griekse, lokale
bevolking telde de stad talrijke inwoners die uit Italië, Klein-Azië. Israël,
etc. kwamen. Het Nieuwe Testament noemt zelfs de aanwezigheid van joodse
vreemdelingen in de gemeente van Corinthe, zoals Aquillas, Priscilla en Apollos.
Het is heel mogelijk dat joden in deze kerk in het Hebreeuws gebeden hebben en
dat toen anderstaligen ook gebeden en gezongen hebben in talen die onbekend
waren voor de anderen, zonder dat er vertaling was in het Grieks, de lokale en
ook internationale taal van die tijd.
Men kan ook begrijpen waarom Paulus heeft gesproken over bidden om zijn eigen
woorden te kunnen vertalen (1Cor.14:13). Het is erg moeilijk (1Cor.14:27,28) om
de concentratie vast te houden als men tegelijkertijd spreekt en iedere zin
vertaalt; vandaar het gebed om goddelijke bijstand (1Cor.14:13). Zo'n gebed
vraagt om een actieve gebedshouding en dat komt niet overeen met een toestand
van extase, van glossolalie. Bovendien lijken er geen gevallen te zijn waar
glossolalisten hun eigen uitingen hebben geïnterpreteerd, terwijl er gevallen
bestaan waarin men zijn eigen woorden heeft vertaald.
Er blijven nog veel dingen over om te zeggen m.b.t. tot dit veertiende hoofdstuk
en vooral de verzen 20-25, maar we moeten ons vanwege de tijd beperken tot
datgene wat we tot nu toe bestudeerd hebben.




Conclusie
De Bijbel leert dat men God moet liefhebben met heel zijn verstand (Matt.22:37)
en zijn intellectuele capaciteiten vernieuwen (Rom.12:2) en ontwikkelen
(Efez.4:13, Hebr.5:12, 2Petr.3:16-18). Helaas nemen te weinig christenen de tijd
om intellectuele gaven, vermogens die zij bezitten te ontwikkelen en bestuderen
niet de filosofie, de geschiedenis, het Grieks, het Hebreeuws... Een gebrek aan
kennis en logica kan leiden tot ernstige dwaalleren en zelfs tot het occultisme,
zoals in het geval van de glossolalie dat wij deze morgen bestudeerd hebben.
Deze consequenties zijn verschrikkelijk en illustreren de goddelijke boodschap:
"Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis." (Hosea 4:6). Dit is des
te meer desastreus voor de Gemeente, daar het Nieuwe Testament christenen
verbiedt zich te verbinden met christenen die occultisme bedrijven.
Nog erger is het dat de glossolalie helaas slechts één van de vele occulte
praktijken van de charismatische beweging is. En deze beweging neemt
onrustbarende vormen aan, op zijn minst te vergelijken met de charismatische
dwaalleer in de tweede eeuw, het Montanisme. De kerken beteugelden deze
dwaalleer door haar officieel te verbieden en de charismatici uit te sluiten.
Gérard Dagon, voorzitter van de Fédération Evangélique de France heeft onlangs
de moed gehad om zich te verzetten tegen de charismatische beweging. Wij kunnen
ons hierin verheugen en God loven voor dit voorbeeld van zuiver en rechtzinnig
geloof. We kunnen ook bidden en zo handelen dat er een eind komt aan deze
dwaalleer die talloze christenen meesleept, verder het occultisme in met elke
nieuwe golf.