"God Huilt" - Verslag van een taxirit door een van Nederlands steden
Door: Teus Schep

"Toen Hij, vlakbij gekomen, de stad zag liggen, barstte Hij om haar in
tranen uit. Hij zei: "Zag u op deze dag maar de weg naar de vrede; maar
die is verborgen voor uw ogen..."".
- Lukas 19 vers 41 t/m 42 (Willibrordvertaling)
Nieuwegein, 15 november 2001

Om ons land diep voor Zich op de knieën te krijgen, in bekering en berouw,
moet onze God ons diep laten zien hoe wij er vanuit de hoge uitzien. Zo
vuil, zo smerig, zo diep arm en dwalend is het volk van Nederland, dat God
niet anders doen kan, dan met een diep verlangen uitzien naar hen onder
Zijn kinderen in dit land die bereid zijn zich aan Hem over te geven om
Zijn ogen te ontvangen. Om verbroken en in diep berouw, niet alleen voor
heel het land, maar ook voor Gods gemeente in dit land in de bres te
staan, voorbiddend, omdat wij dit land geen goed hebben gedaan. Gods
oordeel begint bij het huis Gods, bij de gemeente, verzekert Petrus. En
ook hier is het dat Gods ogen, Die zo diep zien, de onze moeten worden,
zodat wij niet meer tevreden zijn met de vertroosting en verkwikking van
de afgelopen jaren, maar ons laten binnenvoe­ren in de diepte van Zijn
Goddelijk hart voor ons. Reiniging en heiliging van ook de meest verborgen
wortels en zaden van het vlees is nodig, en zal plaatsvinden. De dood van
het tarwegraan die noodzakelijk is om vrucht te kunnen dragen, zal zich in
eenheid met de Here Jezus, in Zijn dood-geweest-zijn, aan velen
voltrekken. Opdat ook Zijn volle, ongehinderde, dit land op zijn kop
zettende opstandingsleven door ons heen zal vloeien, ons land in.
Om ons Zijn ogen te geven, om onze ogen te openen voor hoe het er uit de
hoge uitziet voor Gods aangezicht in ons land, laat de Here vele broers en
zussen dingen meemaken en dingen zien. Zo wordt langzamerhand samen met al
de heiligen die verlangen voor zichzelf en voor dit land de breedte en de
lengte, de diepte en de hoogte van de Here Jezus te zien en te kennen, ook
de breedte en de lengte, de diepte en de hoogte van de val van dit land
duidelijk.
Immers, ons land dankt zijn bestaan als zelfstandige natie aan een zo
machtig ingrijpen van onze God in de loop van onze geschiedenis als volk.
En hoever zijn wij bij dat glorieuze begin van ons volksbestaan
weggedwaald. Een volk, elk volk ontvangt zijn plaats onder Gods hemel van
Hem, Die op de troon zit. En aan het begin van Zijn vorming van ons land
tot zelfstandige natie, nu zo'n ruim vierhonderd jaar geleden, staat een
strijd die gevoerd werd om in vrijheid het geloof in de enige Zaligmaker
der wereld, Jezus, de Zoon van God, niet alleen diep in het hart, maar ook
publiekelijk te kunnen beleven. God zond een man, die deze strijd ging
belichamen, Willem van Oranje, die tot een vader des vaderlands werd. En
zozeer was deze strijd tegen Spanje, die deze gewesten in haar greep had,
een strijd om het geloof, het vrije geloof in deze Jezus, onze Verlosser
en Koning, dat naar het woord van Willem van Oranje zelf, meer dan
vijftigduizend ingezetenen vanwege dit geloof door de Spaanse bezetter op
afschuwelijke wijze ter dood zijn gebracht. Vijftigduizend, meer dan
vijftigduizend van onze voorouders, nog maar een aantal generaties
geleden, aan de vooravond van ons bestaan als zelfstandig volk, hadden hun
leven over voor Hem, deze Ene, Die aan het begin van elk werkelijk leven
en aan het begin van ons volksbestaan staat, Jezus.
Niet voor niets resoneert nog uit die tijd dat couplet van het Wilhelmus
dat wij tot nu toe als we als volk op belangrijke momenten bij elkaar
komen, op het eerste couplet laten volgen:
Mijn Schild en mijn Betrouwen
Zijt Gij, o God mijn Heer!
Op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer!
Dat ik toch vroom mag blijven,
Uw dienaar t'allen stond,
De tyrannie verdrijven,
Die mij mijn hart doorwondt.
Hoever zijn wij hier van weg gedwaald. Ons volk niet alleen, maar al die
landen van Europa, waar in de tijd van de Reformatie het licht van Gods
liefde en genade door het duister heenbrak. Zozeer als wij toen echter als
land en volk door onze strijd voorbeeld en steunpunt geweest zijn voor
andere volken, zijn wij nu in Europa, ja in heel de wereld op tal van
gebieden met regelmaat het gesprek van de dag als het gaat over een
voorbeeld van perversie, van onbelemmerde verslaving, een volk met bloed
aan de handen.
Waar eens het licht van het evangelie en van Gods liefde en erbarmen het
hart van Europa en van ons land uitmaakte, is nu een donker en duister
gordijn onze landen in toenemende mate aan het bedekken, elk leven zoals
God het bedoelt, en zoals leven alleen leven is, langzaam uitdovend.
In het navolgende verslag wordt u meegenomen op een taxirit door een van
de steden van ons land. Zozeer wordt tijdens deze rit duidelijk hoever wij
als volk weg zijn, dat het ons alleen maar brengen kan op de knieën voor
onze God en Vader, en voor de Here Jezus, onze Verlosser en Vriend. Deze
taxirit, die zich eigenlijk uitstrekt over de periode van ruim een jaar,
heeft als passagiers gewone mensen, zoals wij, die bemind worden, diep
bemind, door onze hemelse Vader en de Here Jezus. Wat ze zeggen en wat ze
doen is echter een spiegel waarin wij onszelf als land en volk, en onszelf
als christenen in ons falen en in onze val zien. Op de volgende pagina's
zult u door hun gesprekken en daden geconfronteerd worden met bergen vuil,
en viesheid, en gemeenheid, perversie en gebrokenheid. Onze God, hen
beminnend, hun geschiedenis kennend, verlangt hen te bevrijden, te
genezen, te reinigen, te redden. Voor hen, die in de taxirit op de
volgende pagina's ons leven binnenschui­ven, vraagt Hij onze
verbrokenheid, ons gebed. Voor hen, en allen in ons land waar zij voor
staan, voor het geheel van ons land waar zij voor staan, vraagt Hij ónze
reiniging en het offer van óns leven, opdat door ons sterven met de Here
Jezus, Hij, de Levende, Zichzelf door ons heen aan hen, en aan heel ons
land kan tonen. Dan zal het gordijn verdwijnen. Dan zal leven weer léven
zijn. Dan zullen wij de hoge roeping en bestemming binnenwandelen die wij
als volk hebben, om als volk Jezus te laten zien en te brengen bij andere
volken.
De stad waar we doorheen rijden is Utrecht, en de namen van de
gelegenheden en straten zijn echt, evenals de gebeurtenissen.
---


Het is al 's avonds laat. Even na twaalven. Ik sta met de taxi in het
donker op Neude, als twee jongens van een jaar of vijftien op m'n
zijraampje tikken. Hoeveel het kost om de een naar het ene dorp en daarna
de ander naar het daarachter lig­gende dorp te rijden. We komen een prijs
overeen, en ze stap­pen in. De een voorin, de ander achterin. Onderweg
door het donker wisselen ze hun ervaringen van de afgelopen avond uit. Uit
school waren ze met elkaar gaan winkelen en stappen in een paar kroegen en
uiteindelijk vlak bij Neude in de Hardebollenstraat beland, waar de
prostituées achter hun raam zitten. Ze waren beiden bij een andere
prostituée beland. En nu vertelden ze elkaar in het donker van de auto de
perverse details. De jongen achterin geeft hoog op van de prostituée waar
hij geweest was. Een donkere. Hij beschijft haar. Vertelt hoe ze er op
stond dat hij haar in de anus nam. Twee jongens, school­jongens, van een
jaar of vijftien, zomaar een avondje uit. Maar de sfeer om de jongen op de
achterbank is zó, dat ik voel: ik kan niets zeggen. De vijand ligt op de
loer, met zijn klauwen uit, wachtend tot ik iets zeg. Ik zal moeten
wachten tot deze jongen de auto uit is. Helaas. Als ik even later de
jongen die voorin was gaan zitten naar huis rij, en voorzich­tig een
gesprek met hem aanga, openbaart zich de stuurloosheid en de behoefte aan
leiding van de jeugd. Vertrouwelijk zegt hij: "Ik vond er eigenlijk ook
niks aan. Het is nu de derde keer dat ik het gedaan heb, maar ik denk dat
ik er niet meer naar toe ga. Die jongen die we net hebben uitgezet is geen
vriend van mij, maar gewoon een jongen uit mijn klas. Hij wilde daar naar
toe. Maar ik denk dat ik niet meer ga". Ik vertel hem iets over mijn eigen
omgaan met sexualiteit, en hoe machtig de Here Jezus op dit gebied dingen
veranderd heeft. We gaan als vrienden uit elkaar.
Terug in de stad moet ik iemand ophalen bij een homobar aan de Oudegracht.
Op straat, tegen de muur van het pand geleund, staan in het licht van de
straatlantaarns twee mannen met de armen om elkaars middel. Een verliefd
paartje. Ik bel aan, -het is een besloten bar-, en zeg dat de taxi er
staat, en even later komt de jongeman die een taxi besteld had naar buiten
en stapt in. Naar een stadje ergens buiten Utrecht. Onderweg haalt hij
zijn mobiele telefoon uit zijn zak en belt zijn vriend wakker. In een
duidelijke poging om hem jalours te maken, vertelt hij dat hij vanavond
chance had, en dat hij het wel een hele leuke jongen vond. En hij had ook
nog iets heel geils meegemaakt. Hij was aan het dollen geweest met de
bar­man, en met het stukje ijs uit zijn drankje hadden ze een leuk
spelletje gespeeld: het stukje ijs in elkaars mond laten glijden en
daarbij flink tongzoenen.
Weer terug in de stad kom ik bij het nachtelijk Centraal Station. "Boven"
(in taxi-jargon) wacht ik op het Stationspla­teau of er nog wat late
passagiers uit het Station komen lopen. Een jongeman, met duidelijk haast,
komt op de taxi af en stapt direct in. "O, wat ben ik blij dat ik veilig
binnen zit", zegt hij. "Ik heb dat nog nooit gehad, maar anders kijk ik ze
ook nooit aan, en nu wel!". Op het vrijwel verlaten Station hangen om deze
tijd altijd nog wel een aantal van de vele, vele harddrugsverslaafden
rond, die Utrecht-Centrum heeft. Toen hij een van hen in de ogen had
gekeken, had die een aantal anderen een teken gegeven, en waren ze hem
gaan volgen. Doodsbang was hij uiteindelijk zo haastig mogelijk naar de
taxistandplaats gelopen.
Het is half twee als ik uiteindelijk in een nachtelijke straat twee nieuwe
klanten ophaal. Vader en zoon naar later blijkt. De vader is duidelijk
beschonken. Ik krijg een flink bedrag vooruit, met de mededeling dat ik
zometeen eens iets mee zal gaan maken...! We rijden naar het andere eind
van de stad, en onderweg maakt hij mij duidelijk: we gaan iemand
vermoorden. Als jij wilt mag je haar eerst nog hebben. Weet je wat: je
krijgt van mij hondervijftig gulden als je sexueel dit en dat bij haar
doet, terwijl wij toekijken. Nou? Ondertussen zijn we in de straat waar ze
moeten zijn. "Ouwe, rustig an nou, hè?!", zegt de jongen achterin, tegen
zijn opgefokte vader. Ze blijken het juiste adres niet meer precies te
weten en besluiten uiteindelijk aan te bellen waar ze denken te moeten
zijn. Terwijl zijn zoon hem probeert te kalmeren, bonkt pa op de deur, de
ramen, de bel van het in het donker gehulde huis waar hij vermoed dat hij
moet zijn. Niemand reageert. Zijn zoon weet hem weer in de auto te praten
en daar zegt hij, klagelijk opeens, en verslagen: "Ze heeft me in de steek
gelaten, man, ze is gewoon weggegaan. Zoveel jaar zijn we getrouwd en nu
is ze opeens weg. Ik word helemaal gek. Echt, ik ben normaal niet zo".
Even later zet ik ze bij het beginpunt, hun eigen huis weer uit.
Even later stop ik op de Mariaplaats om een man binnen te laten die uit
een van de kroegen in het Centrum van de stad komt. Ik zet de deur vast
voor hem open en ga weer op de bestuurdersplaats zitten. Onvast komt hij
aangelopen, strui­kelt de auto binnen, en kijkt me vanuit zijn over de
voorbank liggende positie, zijn benen nog buiten boord, verbaasd aan. Zo
van: hoe kom ik hier nou zo? Ik vraag hem waar hij heen moet. Voor mij een
normale vraag, maar in hem wordt de argwaan wakker. "Sterrenwijk". "Oké,
maar welke straat?". "Waarom moet jij dat weten?". "Dan weet ik hoe ik het
best kan rijden", zeg ik. Maar het antwoord bevredigt hem niet. Hij
vertrouwt het niet, en besluit te gaan lopen.
Terug op het Stationsplateau. Ik sluit me achter aan bij de rij taxi's die
in het donker langs de rand van de stoep staan, wachtend op een mogelijke,
late passagier. Een van de bekende dakloze verslaafden komt langs de
raampjes van de taxi's. Hier krijgt hij wat; daar biedt hij iets te koop
aan. Hij kent ondertussen zijn klantjes. Hij levert zelfs op bestelling.
Overdag steelt hij het gevraagde uit de winkels. Een nieuwe dakloze komt
langs. Hij laat zich niet zomaar afpoeieren. Een werkelijk supersonische
stereotoren, die hij bij elk raampje weer beschrijft, probeert hij aan de
man te brengen. Hij is duidelijk wanhopig. De prijs zakt dramatisch, maar
niemand wil hem hebben. Hij is buiten zijn schuld om op straat komen te
staan, vertelt hij me, en dit zijn zijn eerste nachten buiten. "Ik heb
ergens nog een klein beetje van m'n huisraad opgesla­gen staan en probeer
dat overdag te verkopen om te proberen 's nachts ergens binnen te kunnen
slapen en iets te eten te hebben. Maar vandaag heeft niemand iets gekocht.
Ik ben nog niet gewend aan de kou 's nachts buiten". Utrecht heeft meer
dan duizend dak- en thuislozen.
Het loopt tegen zes uur in de morgen, en ik moet een klant ophalen bij een
van de sluitende bars in het centrumgebied. Een jongeman, een jaar of
dertig, met de sporen van een nacht doorgebracht in de kroeg op zijn
gezicht, stapt in. We zijn het straatje nog niet uit of hij vraagt: "Heb
jij nu genoeg aan driehonderd gulden per dag?". "Nou, dat zal wel lukken",
zeg ik droog. "Nou, ik maar net", zegt hij. En dan volgt heel zijn
verhaal. Dagelijks gaat hij er op uit met de trein om in andere steden en
dorpen van ons land goede mountainbike's te stelen. Terug in Utrecht zet
hij ze voor driehonderd gulden te koop, en komt zo aan zijn inkomen. Als
ik zwijg, begint hij zich te verontschuldigen. Hij is verslaafd, en wat
moet je anders doen om aan de dope te komen. Op een gegeven moment vraagt
hij door, en als ik iets over mijn geschiedenis en over de machtige liefde
van Jezus verteld heb, barst hij uit: "Weet je, ik ben van binnen zo rot
als een mispel. Ik ben helemaal niks. Soms ben ik bang van mezelf". Hij
wil stoppen met zó leven. Hij blijft doorvragen, tot in de diepste dingen
wil hij weten of Jezus echt het antwoord is; of Hij echt houdt; of Hij
echt blijvend en diep dingen anders maakt. Een hele generatie wacht op
onze levens om het te tonen.
Zo tussen half zes en half zeven 's morgens lopen in het weekend in het
centrum de bars en discotheken leeg. Duizenden jongeren zoeken na een
nacht van dansen en schreeuwen, drinken en chancen hun weg naar huis.
Taxi's rijden af en aan om de feestvierders tot ver in de omtrek weg te
brengen.
Twee jongens en twee meisjes stappen in. Nog vrij jong. Vijftien jaar,
hoor ik even later. Ze hebben alle vier stevig gedronken, maar de jongen
die voorin stapt is er echt slecht aan toe. Met bloeddoorlopen wezenloze
ogen kijkt hij mij even aan. Onder het rijden zakt zijn hoofd regelmatig
op zijn borst. Gelijk daarna heft hij hem dan weer op en brult iets wat
zijn mannelijkheid moet bewijzen. Vieze taal. Opeens geeft hij aan dat ik
direct moet stoppen. Ik vermoed waarom, en zet de auto direct aan de kant.
Wezenloos loopt hij een poosje buiten op de stoep rond, maar er komt
niets. Als z'n "makkers" roepen dat hij nu maar weer binnen moet komen, en
dat ze zo thuis zijn, slaakt hij nog enkele heldhaftige brullen en zakt
weer in de stoel. Aangekomen op hun adres stappen de andere drie uit, en
laten het aan hem over om te betalen. Hij heeft een half uur voor
sluitingstijd uit stoerheid nog van alles door elkaar en direct achter
elkaar naar binnen gewerkt, had ik gehoord van de anderen, dus erg vlot
ging het betalen hem niet af. Hij stapt uit om tegen een boom geleund
beter bij zijn portemonnee in zijn broekzak te kunnen, maar voordat hij
zover is, slaat hij dubbel en leegt zijn maag keer op keer aan de voet van
de boom waar hij steun zoekt. Zijn makkers lopen, zich drukkend voor het
betalen, wat steels naar de deur van hun flat, en roepen dat hij moet
komen.
Terug in het centrum houden drie jongens me aan. Ze geven hun adres op en
we rijden weg. Onderweg gaat het gesprek over de kwaliteiten van de
meisjes waar ze afgelopen nacht mee hebben gedanst en gedronken, gekust en
gepraat. Het gaat om meerdere meisjes, want ze zijn in de Dansfabriek
geweest, in Get Down, en zo nog een aantal discotheken. Een van hen
spreekt zijn sexuele voorkeur uit voor jonge meisjes. "Ik wil ze niet meer
boven de tien", zegt hij. Even later, -zijn gedachten zijn verder gegaan-,
zegt hij het kleine zusje van zijn ene vriend wel heel aantrekkelijk te
vinden. Ze zijn het met elkaar eens. En als even later de fantasie een
nieuw diepte­punt vindt in: "Jouw moeder, daar zou ik het ook wel eens mee
willen doen", wordt er rustig doorgepraat over het inderdaad wel
aantrekkelijke van die gedachte.


Via de boordcomputer krijg ik door dat de Dansfabriek, in de
Drieharingstraat, een taxi vraagt. Als ik in het smalle straatje arriveer,
staat er niemand meer buiten, dus loop ik naar binnen en ga de lange trap
af naar beneden, waar de dansvloer is. Het publiek is duidelijk al weg, en
een aantal jonge mensen is bezig in de gigantische ruimte met diverse
hoeken en gaten en bars in een aantal hoeken, een enorme laag die nacht
door bezoekers stoer tegen de grond kapot gegooide leeggedronken glazen
bij elkaar te vegen. Enkelen kijken op, met een ietwat betrapt trots
lachje. De nacht die voorbij is hangt nog in de lucht van de ruimte. En al
vegend, rinkel, rinkel, is het stoer om deel uit te maken van wat hier
gebeurde. Nee, er is geen taxi besteld.
In de Lange Viestraat houdt een jongeman de taxi staande. Aan zijn strak
gezicht en bloeddoorlopen ogen te zien, heeft ook hij er al een hele nacht
opzitten, mogelijk met drugs. Op weg naar zijn huis begint hij opeens:
"Weet je wat ik lekker vind? Een pilletje (XTC, of iets dergelijks) en dan
seks". Als ik niet reageer, vraagt hij of ik ook van jongens hou. Wanneer
ik zeg van niet, en dat sowieso omdat ik heel veel van de Here Jezus en
van de hemelse Vader hou, ik zo niet met sexualiteit omga, zegt hij:
"Jammer. Had gekund, toch?".
Over de computer krijg ik het adres door van de volgende klant. Iemand in
de nachtclub aan het eind van de Amsterdamsestraatweg. Als ik de trap
oploop, komt de arabisch klinken­de muziek me al dreundend tegemoet. Net
als ik wil kloppen, gaat de deur open en een vrouw steekt haar verhit
gezicht naar buiten, geeft me onverwacht een hatelijke schreeuw net boven
de herrie uit vlak in m'n gezicht en gaat weer naar binnen. Ik loop langs
de rand van de dansvloer naar de grote bar tegen de achterwand, om de
barkeeper te vragen wie er een taxi besteld heeft. Op de dansvloer draaien
de paartjes zinnelijk tegen elkaar aan. Ook twee vrouwen. Anderen zitten
verveeld achter een glas bier aan tafeltjes langs de wand. Uit het
gekleurd verlichte donker van de grote dansvloer haalt iemand degene die
een taxi besteld had. Een buitenlandse man, zoals de meesten hier in deze
plek waar vooral arabische muziek wordt gedraaid. In de taxi kreunt de
man, en zegt dat hij zich zo schaamt voor zijn familie, dat hij vannacht
hier geweest is. Maar hij had zich alleen gevoeld.
Het is ondertussen dag geworden. Als ik langs een bushalte rij in
Lunetten, steekt de jongeman die daar staat zijn hand op. De bus was net
voor zijn neus weggereden en hij wil naar het Centraal Station. Al pratend
wordt duidelijk dat hij naar Rotterdam wil en daar voor een
vriendenprijsje best heen gebracht wil worden. Zo gebeurt. Hij is
Marokkaans, oogt zeer sympathiek, en ik voel de liefde van de Here voor
hem, ook al begint hij de meest afschuwelijke dingen te zeggen. In de
Verenigde Staten zijn die week de torens van het World Trade Centre onder
het geweld van binnenvliegende vliegtuigen geval­len, en hij is er vol
van. Israël is de schuld, dat is duidelijk, zegt hij. Amerika helpt
Israël, en dat is stom. Israël vermoordt Palestijnse kinderen en zit
achter heel veel kwaad in de wereld. Het moet uitgeroeid worden. Uit mijn
reageren en niet reageren merkt hij iets. Hij kijkt me be­vreemd aan en
vraagt of ik soms zelf Jood ben. Ik mag het gerust zeggen, hoor, je moet
open over dingen kunnen praten. "Wel", zeg ik, "Ik ben niet Joods van
geboorte, maar ik hou heel veel van de Here Jezus, en Die heeft het
Jood-zijn aangenomen, Die is Jood. En omdat Hij in mij woont, wordt ik ook
steeds Joodser!". Er ontwikkeld zich een gesprek -we hebben alle tijd tot
Rotterdam- waarbij hij de merkwaardige combinatie blijkt te hebben van de
meest extremistische funda­mentalistische moslim inzichten, en het
vermogen om vervolgens rustig te luisteren naar woorden die volledig haaks
staan op wat hij zojuist zei. Dat het land Israël Gods land is, wat Hij
geeft aan wie Hij wil. Dat Hij gekozen heeft het aan het Joodse volk, aan
Israël te geven. Dat ze het door de geschie­denis heen steeds alleen maar
houden als ze in liefde en overgave met de HERE God leven. Dat de
Palestijnen er alleen, en alleen in vrede kunnen leven wanneer ze Israëls
roeping en positie erkennen... het passeert allemaal de revue. Hij is het
volledig met me eens als ik zeg dat Israël ook nu nog door veel
moeilijkheden heen zal moeten om haar vertrouwen op haar leger en
intelligentie kwijt te raken, en alleen nog op de God van Israël te
vertrouwen. Merkwaardig. Terwijl we verder praten over het wereldgebeuren,
uit hij zijn zwartgallig levensgevoel. Hij is nu dertig jaar. Hij verwacht
dat alles uit de hand gaat lopen en alles in oorlog en vuur zal ondergaan.
Als hij de veertig haalt zal hij tevreden zijn. Ouder hoeft hij niet te
worden, want het leven stinkt en heeft niet veel te bieden.
De houseparty in de hal van De Vechtse Banen gaat uit. Er zijn te weinig
bussen ingezet om de vele duizenden jongeren naar het Centraal Station te
brengen, dus taxi's rijden af en aan. Merkwaardig hoe verschillend deze
jonge mensen reageren op een nacht lang opgenomen geweest zijn in een
baarmoeder van oorverdovend geweld, met versnelde harteklop, lichtflitsen
en orgiedronken dans van naakte vrouwen in een aantal kooien opgehangen
aan het plafond boven hun hoofden. Sommigen ogen zo fris als een hoentje.
Anderen hebben een vreemde blik in hun ogen en zijn vol agressie. Als een
van hen in de volgeladen taxi op weg naar het Station die agressie verbaal
op mij richt, kalmeren de anderen hem.
Een cameraman en tv-verslaggever uit Japan stappen in. Hun apparatuur
hebben we in de kofferbak geladen en nu gaan we richting Schiphol. De
verslaggever vertelt dat zij nu al in korte tijd voor de vierde keer in
Holland zijn. Hij vindt het heel bijzonder dat zo'n klein land zo vaak de
aandacht van de internationale pers weet te trekken. Hij graaft in zijn
herinnering en somt op: "Eén keer waren we hier om jullie euthanasiedebat
in het parlement te verslaan, en een keer om het debat over het
homohuwelijk vast te leggen, en een poosje later moesten we wat plaatjes
schieten van de eerste officiële homohuwelijken in Amsterdam, en nu zijn
we op een groots opgezette Wietbeurs geweest. Allemaal dingen die in ons
land en overal ondenkbaar zijn. Jullie zijn echt een voorbeeld van
vrijheid voor de wereld. Zoals daarnet ook, dat buiten een politieagent
het vele verkeer voor de bezoekers van de Wiet­beurs staat te regelen, en
dat binnen mensen vrijelijk lopen te blowen en van alles te koop is wat
met Wiet en dergelijke te maken heeft, dat is bij ons ondenkbaar". Ik leg
uit dat dit een vrijheid is die je niet hoeft te verlangen, omdat die
onherroepelijk Gods reactie, omdat Hij de Beschermer van het leven is,
over je land afroept.
Er is een taxi besteld in een van de kelders onder de Oudegracht, waar een
afterparty aan de gang is. Allemaal jongelui die er al een nacht op hebben
zitten in de vele discotheken en kroegen in het centrum, en die toen
iedereen om een uur of zes, zeven in de ochtend naar huis ging, hier nog
even door wilden feesten tot een uur of half elf. Ik loop de trap af naar
beneden, om langs het water van de Oudegracht naar de ingang van de kelder
te gaan. Twee potige uitsmijters staan aan weerszijden van de deur.
"Taxi", zeg ik, en word binnengelaten in een soort halletje, waar iedereen
gefouil­leerd wordt en door een elektronisch poortje moet om eventuele
wapens te ontdekken. De eigenaar, die hier ook staat, weet niet wie een
taxi gebeld heeft, maar wil wel even binnen kijken. In de smalle, ronde,
diepe buis die deze kelder onder de Oudegracht is, is het volledig donker.
Alleen lichtflitsen van steeds maar een fractie van een seconde verlichten
de dicht opeengepakte deinende zee van jongeren die zich als zombies
bewegen op de ongelofelijk harde, alles overstemmende dreunende muziek in
de vrij kleine ruimte. Even later duikt de eigenaar weer uit de menigte
op. "Ik stop er mee", zegt hij. "Ik heb het aan een paar gevraagd of ze
een taxi besteld hadden, maar ze zijn helemaal gek daarbinnen. Sorry".
Bij MacDonalds aan de Oudegracht haal ik even later een jongen en twee
meiden van een jaar of vijfentwintig op, die ook van een afterparty komen.
Het is nu half elf in de morgen, en deze meiden en deze jongen hebben hun
bed inmiddels al meer dan vijfentwintig uur niet gezien. (Feestvierders
zelf verzekeren me steeds dat zoiets zonder XTC of andere drugspillen niet
kan). Ze zijn volledig doorgedraaid. Het ene meisje, wat voorin is komen
zitten, verontschuldigd zich er voor. De twee achterin zijn het verste
weg. De jongen zit alle ledematen die hij het meest bewonderd van het
meisje naast hem te benoemen, en noemt haar een hoer. Zij ontkent: "Ik ben
geen hoer. Ik ben een sletje. Ik vraag er nooit geld voor". Als ze even
later vindt dat hij te ver gaat, zegt ze, zonder echt boos te zijn: "Als
ik dit allemaal aan m'n vriend vertel, pakt hij zijn pistool en schiet je
zo door je kop". "Jullie zijn echt helemaal doorgedraaid!", zegt het
meisje voorin. Even later griezelen ze allebei als de jongen achterin
begint te roepen: "Kijk eens, hé, kijk eens". "Doe weg, man, Doe die broek
dicht man, viezerik". Ongelofelijk.
Boven, op het Stationsplateau, hebben twee chauffeurs die voor mijn taxi
staan ruzie. Ze zijn beiden Marokkaans, en schelden elkaar heftig uit. In
een poging om elkaar te overtreffen met woorden, verlaagt de ene zich door
de ander te dreigen hem in de anus te zullen nemen. Als de ander daar niet
van onder de indruk blijkt, weet hij nog maar één ergere belediging om de
ander te treffen. Het spuit er uit, met haat vervuld, slechts één woord:
"Jehudi" ("Jood"). Dat brengt de ander in beweging. Fel schreeuwt hij
terug dat die ander een Jehudi, een Jood is. Wat moet dat worden als deze
furie, deze grenzeloze, redeloze haat nog eens losgelaten zal worden op
Gods volk, het Joodse volk, in ons land, in Israël, over heel de aarde.
Zijn wij er gereed voor om nu en dan voor hen op te komen, hen te
beschermen en indien nodig te verbergen?!
Op de busbaan langs het Smakkelaarsveld, vlak bij het Centraal Station, is
een van de dakloze verslaafden gaan zitten. Een busschauffeur die vanaf CS
komt en via de busbaan richting stad wil rijden, toetert en stopt een paar
meter voor hem. Uitdagend en uitnodigend gebaart de dakloze de chauffeur
dat hij wel verder mag rijden, over hem heen. Als er van de andere kant
ook een bus nadert, gaat hij languit liggen, zodat hij beide rijbanen
verspert. Gelaten grijpt de eerste busschauffeur naar zijn mobilofoon, om
de centrale en zo de politie in te schakelen. Ondertussen loopt het
verkeer hele­maal vast.


Ik haal een goed geklede jonge vrouw op -lange, rode jurk-, om haar naar
het Centraal Station te brengen. Ze vertelt dat ze onderweg is naar een
terrein vlak bij Amsterdam om met andere heksen komende nacht de
zonnewende te vieren. Wat ze dan zoal doen? O, veel dansen om vuren, en
wat heksendingen, en de opkomst van de zon afwachten en dat vieren.
Een jonge vrouw van een jaar of vijfentwintig vraagt me te helpen als ik
op het bestelde adres kom. Een gigantische hoeveelheid plastic tassen, vol
met kleren en allerlei spullen, staat gereed en moet in de kofferbak en op
de achterbank. Naar het Centraal Station. Maar onderweg moet ik wel even
stoppen bij "de tunnel", onder HoogCatherijne, waar in het neonbeschenen
donker allerlei drugs word verhandeld en gebruikt. "De hel van de tunnel",
beschreven daklozen in hun Straatkrant deze plek. Ze heeft haast, want ze
moet een inter­nationale trein halen. Vlak bij de tunnel gekomen, springt
ze uit de auto en roept vragend aan een aantal verslaafden die in de buurt
staan: "Bruin? Bruin?" Ze wijzen naar een man een stukje verderop, die de
begeerde drugs verhandelt. Wanneer ik haar even later geholpen heb de vele
tassen op het perron te brengen en terug loop naar m'n taxi, roept een
collega uit zijn geopend raampje: "Gaat ze weg? Dat was een paar jaar
terug, toen ze net uit Rusland kwam, een mooi mokkel. Ze is hier helemaal
naar de bliksem gegaan. Zonde van de meid!".
Het is rond de klonk van drieën. Tijd om door heel de stad heen de
schoolkinderen bij de verschillende scholen op te halen en thuis te
brengen. Ik rij naar de school die ik over de computer doorkrijg, en vraag
naar de kinderen met de doorgekregen namen. Vier Turkse meisjes stappen
in. Naar Kanaleneiland. Ik vraag hoe hun dag was en wat ze gedaan hebben,
en ze vertellen. Als we bij een verkeerslicht wegrijden, zegt het meisje
naast me tegen haar klasgenootje achterin: "Ohoh, dat zag ik. Jij stak je
tong uit naar die meneer. Je toonde geen respect naar oudere mensen!". Ik
verbaas me, en hoor als het ware haar ouders door haar heen. "Nou", zegt
het meisje achterin verongelijkt, "alsof jij altijd alles goed doet!".
Als ik even later een tweede schoolrit heb, verbaas ik me opnieuw over het
verschil als dag en nacht van de vorige kinderen met deze kinderen. Ze
zijn Marokkaans, en hoe komt dat toch, wat is er toch met vooral de jonge
generatie van de Marokkaanse Nederlanders? Een paar van hen zijn zo jong
dat ze nog amper uit hun woorden kunnen komen, maar de ene golf viezigheid
na de andere golft uit hun monden. Perverse dingen, die ouderen, en laat
staan zulke jonge kinderen helemaal niet zouden moeten weten, maar die
blijkbaar de (gedachten?) wereld zijn waarin zij leven. Incest en de meest
perverse sexuele uitspattingen golven als braaksel door de auto, niet te
stoppen. Arm volk. Wie ontfermt zich over jullie kinderen en jongeren? Hun
grote broers hebben al jaren het grootste deel van de prostitutie en de
misdaad in handen in Utrecht. Wat moet er van hen worden?
M'n laatste schoolrit voor deze middag: drie Nederlandse jongetjes. Een
van hen, die voorin gaat zitten, is een jaar of tien. Een gaaf, open
mannetje, die me al direct begint te vertellen over een boekenleesproject
in hun klas. Hij heeft een boek uitgekozen, zegt hij -en ik hoor zijn
moeder-, met niet teveel geweld erin, maar wel spannend. De schrijver heet
Paul van Loon, en het gaat over Dolfje Weerwolfje. Hij verteld het hele
verhaal, en ik gruw. Maar dat kan ik dit kwetsbare, fijne kleine mannetje
niet zomaar plompverloren zeggen! Ik realiseer me weer eens te meer
hoezeer het nú tijd is dat wij als christenen wakker worden en opstaan, en
onze landgenoten helpen te zien wat er aan de hand is. Een hele generatie
kinderen wordt vergiftigd met occulte verhalen en symbolen, niet alleen
rechtstreeks uit het brein van satan, maar recht­streeks uit zijn
realiteit. Via boeken als die van Paul van Loon en Harry Potter, die tot
in de Albert Heijn's en de Hema's over heel ons land worden gepromoot, en
waar de kinde­ren op af vliegen, en via allerlei griezel- en horrorfilms
en occulte computerspelletjes wordt onze jeugd door satan ingewijd in de
grondbeginselen van de binnenkant van zijn vuile koninkrijk. Een wereld
van angst en griezelige wezens en rituele moorden komt hun ziel binnen, en
wat denk u dat het uiteindelijk doel is van deze zoetgevooisde
rattenvanger van Hamelen?! We moeten echt wakker worden, verbroken worden,
onze plaats in de Here Jezus door Zijn genade weer in gaan nemen, want
satan neemt dit land volledig over!!!
Een Amerikaanse zakenman. Hij moet naar Amsterdam en na gezamenlijke
inspanning, waarbij hij het Stratenboek voor zich heeft, vinden we het
hotel waar hij geboekt heeft bij het Rembrandtplein. Hij vraagt me te
wachten tot hij ingecheckt en zijn koffer op zijn kamer gebracht heeft.
Daarna wil hij naar een ander adres in Amsterdam. Ik parkeer de taxi aan
de rand van het plein naast een vol terrasje voor een café. Het is mooi
weer en de pratende en drinkende mensen genieten er duidelijk van en
kijken ondertussen naar de passanten. Opeens loopt er een man voorbij op
hoge hakken, zijn benen in zwart-doorzichtige kousen met jarretels, en in
een gazen slipje, wat aan de achterkant een verticale opening heeft,
waardoor je zijn blote bilspleet ziet. Een travestiet. Een nauwsluitend
hesje met nepborsten en een opgetut gezicht maken het beeld compleet.
Vanaf het terrasje klinkt applaus als hij op hoge hakken voorbij
schuifelt. Hij buigt licht en loopt weer door. Even verder spiegelt hij
zich voor een etalageruit en schikt zijn nepborsten. Nederland
applaudiseert. Moet kunnen immers. God in Zijn liefde is het Die werkelijk
van deze man houdt, en van de mensen op het terras van de samenleving.
Zijn gemeente in dit land kan noch meeklappen, noch hoofdschuddend
afkeuren en haar weg vervolgen. Onze tijd is op. Er moet werkelijk iets
bij ons, Gods kinderen, veranderen, opdat dit land Jezus, in Zijn heilige
liefde weer ziet, door ons heen.
Terug in Utrecht. Het Holland Casino vraagt om een taxi. Een Chinese
jongeman stapt in en we rijden naar zijn huis­adres. Hij haalt even iets
op in huis en daarna keren we weer terug naar het Casino. Wat schaapachtig
vraagt hij daar: "Je kunt zeker niet wisselen?", en laat me een aantal
duizendjes zien die hij blijkbaar net thuis is wezen halen.
Even later stapt bij het Casino een echtpaar de taxi in. Naar een plaats
buiten Utrecht. De man is overdreven vrolijk en luiddruchtig. Zeker veel
gewonnen, denk ik. Maar het tegen­deel blijkt het geval. "Ben je boos op
me?", vraagt hij opeens aan zijn vrouw, die achterin zit. "Nee hoor".
"Joh, wat kan het ook schelen. Het is maar geld". zegt hij. "Huhhuh",
beaamt zij. Hij probeert haar en zichzelf nog een poosje te overtui­gen
dat het allemaal niets uitmaakt, maar zegt dan opeens: "Dat waren wel heel
veel maandsalarissen". Even later, naar mij: "Ga er nooit heen, chauffeur.
Je gaat er kapot aan. Wij zijn een week lang elke dag geweest, maar we
gaan nooit meer!".
Als ik later opnieuw voor het Casino sta te wachten, komt er een
Marokkaanse collega bij me staan voor een praatje. Hij is vol van iets wat
afgelopen nacht gebeurd is, en overweegt nog steeds om aangifte te doen
bij de politie. Verontwaardigd vertelt hij me hoe afgelopen nacht van
ongeveer half twee tot een uur of drie op een taxistandplaats waar
meerdere taxi's stonden een meisje van amper vijftien jaar van de ene taxi
naar de andere zwierf en met de chauffeur flirte. Eerst één chauffeur, en
een half uurtje later een andere, beiden Marokkaans, hadden haar
meegenomen in hun auto en kwamen even later weer met haar terug. Een van
hen was bij deze collega komen opscheppen dat ze seks hadden gehad, waarop
deze bijna was geëxplodeerd. Hij had thuis een dochtertje van dezelfde
leeftijd en walgde van heel het gebeuren. Met de felheid Marokka­nen
eigen, had hij gezegd: "Joh, maak dat je wegkomt. Als ik een mes bij me
had zou ik het nu in je buik steken. In Marokko zou je hiervoor gevild
worden!".
Een bordeel aan de Voorstraat. Van de buitenkant ziet het er uit als een
gewoon huis. Ik bel aan en meld door de intercom dat de taxi er staat.
Even later komt een meisje van achttien jaar naar buiten, met haar handen
vol met een tas en een paar laarzen. "Mijn attributen", zegt ze als ze
instapt. We gaan naar de Vleutenseweg, naar een ander bordeel. "Daar kan
ik meer verdienen", legt ze uit. "Hier komen geen buitenlanders, en daar
wel. Dat verdient veel beter". Het gesprek komt op het geloof, en ze geeft
aan dat ze zoekende is. Ze heeft pas heel de Koran doorgeworsteld en wil
nu aan de Bijbel beginnen. Ik vertel haar van Gods liefde voor haar. Hoe
Hij niet veroordeelt, maar je leven wel totaal nieuw maakt. Ze zal er over
denken, zegt ze.


Het is opnieuw avond geworden. Boven de wijk Zuilen zie ik grote
lichtbundels uit een cirkels draaiende helicopter op de stad vallen. Wat
is er aan de hand? Bij het benzinestation hoor ik dat men al uren zoekt
naar een klein meisje wat die dag verdwenen is. Later hoor ik dat haar
lichaampje gevonden is, als oud vuil door de moordenaar verstopt tussen
vuilniszakken op het afvalscheidingsstation aan de Tractieweg.
Over de computer krijg ik een bekend adres door. Ik heb haar nu al een
keer of vijf gereden. Eenmaal met haar kleine dochtertje naar het
winkelcentrum, en vier keer 's avonds naar het Zandpad, waar ze als
prostituée in een van de woonboten voor het raam zit. Ze heeft een man, en
al een paar keer hoorde ik ook haar dochterje boven huilen als haar mama
's avonds weer wegging. Ze is nog maar een jaar of vierentwintig en komt
uit een Afrikaans land. Een klein, grappig, vrolijk grietje. Het zou je
zusje kunnen zijn. Ze heeft een vast ritueel om haar bravour te bewijzen.
Als ze ingestapt is doet ze pas omstandig de rits van haar gulp dicht.
Bravour. Haar vrolijkheid is opgelegd en meestal bereikt met iets
stimulerends wat ze net gebruikt heeft. Een keer kon ze het niet
volhouden, neerslachtig als ze was, en bekende dat ze er maar wat graag
mee zou stoppen. Maar er is iets (of iemand) wat (die) haar dat
verhindert. Wat ik haar vertel wil ze eigenlijk niet horen. Ze zit
gevangen, en ziet geen uitweg. Daarom maar niet teveel nadenken en
"vrolijk" verder gaan.
Een jonge vrouw met een klein jochie aan de hand komt op het bestelde
adres snel naar buiten gelopen als ik voorrij: "Gelijk wegrijden", zegt ze
gejaagd als ze instapt. Ik vraag niets en rij op haar aanwijzingen snel
door een wirwar van straatjes tot naar het Centraal Station. Ergens
onderweg raakt ze iets ontspannener en begint te vertellen. Ze is
Marokkaans en ook getrouwd met een Marokkaan, die ze nu ontvlucht. Hij
sloeg en mishandelde haar, hield haar zoontje van haar weg, sloot haar op,
verscheurde haar paspoort, maar nu is het haar gelukt om te ontsnappen en
haar zoontje mee te nemen. Bij het Station gaat ze een bekende bellen die
haar wil helpen naar het buitenland te vluchten. "Ik ga een totaal nieuw
leven opbouwen", zegt ze vastbesloten. Het jochie op haar schoot knabbelt
tevreden op wat hij uit een klein zakje chips op­diept.
In Hooggraven stappen ze in. Beiden buitenlands. Naar een plaatsje buiten
Utrecht. Daar bij zijn huis aangekomen, gaat hij naar binnen om geld te
halen, en stort zij ondertussen haar hart uit. Ze is Oostduitse. Vroeger
in de voormalige DDR had ze een verantwoordelijke taak op een collectieve
boerderij als cheffin melkproductie. Op haar negende werd ze door
Russische soldaten verkracht. Na de val van de Berlijnse Muur is ze gaan
zwerven en onderweg verslaafd geraakt aan de drugs. Afgekickt, weer
verslaafd, opnieuw afgekickt, opnieuw verslaafd... Ze is wanhopig. Wil er
vanaf. Ze geeft me haar naam op een briefje en vraagt of ik de komende
tijd voor haar wil bidden. Als de man terugkomt, rijden we weer naar
Hooggraven. Daar staan een aantal Marokkanen op een straathoek te dealen.
Voorzien van waar hun lichaam om schreeuwt, maar wat hun ziel haat, breng
ik ze daarna weer terug naar huis.
Ze was me al eerder opgevallen, op straat, maar nu heb ik haar in m'n
taxi. Een jonge vrouw, groot, dag in dag uit gekleed in een gigantische,
lange, wijdvallende jurk van zachtglanzende Gotische stof. Ze is
geschminkt als een lijk: lijkbleek gezicht met volledig dik zwart geverfd
rondom haar ogen. Als ze op straat voortschreed -een ander woord kwam me
nooit te binnen- ging er van haar trotse verschijning een zwarte dreiging
uit. Ik had altijd het gevoel alsof zij niet alleen was, en dat je haar
beter uit de weg kon gaan. Er lopen nog wel een aantal jonge vrouwen door
Utrecht, gekleed zoals zij, maar die hebben die donkere aanwezigheid niet.
Op een keer zag ik haar in de stad lopen, terwijl uit een geopend raampje
een passerende automobilist haar uitschold. Ze haalde zonder verdere
reactie trots een zakboekje uit haar jurk en schreef rustig het
kentekennummer op. Op een of andere manier had ik het idee dat dat niet
naar de politie zou gaan, maar dat die automobilist niettemin in de
komende tijd problemen, zware problemen zou krijgen. Ik bad de Here om dat
te verhinderen. En ik bad voor haar. En nu zit ze in m'n taxi, terug van
een feest, elders in het land, met allemaal mensen zoals zei. Ze lopen
allemaal altijd in Gotische kleren en schminken zich als lijken. Waarom
kan ik de indruk toch niet van me afschudden dat het allemaal met satan te
maken heeft? Ze is vrolijk en wil verder nergens over praten, maar ik ben
op m'n hoede en bidt dat haar trots breekt, en ze zal zien dat niet zíj
macht heeft door haar levenswijze, maar dat ze in tegendeel zelf gebruikt
wordt, en in het eind daar zeer ongelukkig door zal zijn.
Twee jonge mannen zijn achter ingestapt en willen naar het centrum.
Onbeschaamd, in volledige overtuiging dat de wereld waarin hij leeft, de
wereld is waar immers iedereen in leeft, vertelt een van hen aan zijn
vriend hoe zijn moeder iets geroken had boven, op zijn slaapkamer. "Weer
een vriendinnetje boven gehad?", had ze gevraagd. Op zijn bevestigend
antwoord had ze gezegd: "Doe je wel voorzichtig?". "Moet jij nodig
zeggen", was zijn reactie. "M'n moeder lust er namelijk wel pap van",
vertrouwt hij de ander toe. "Je maakt mij niet wijs, dat zij ook altijd
veilig vrijt".
Een vrouw van een jaar of vijfenveertig stapt in bij het café waar ze me
besteld heeft. Ze heeft heel wat teveel gedronken, en laat zich op een
gigantische manier gaan. Ik ga zo min mogelijk op haar woorden in, en ben
van binnen vastbesloten de dronkemansvertrouwelijkheid van haar handen op
mijn armen niet verder te laten gaan. Vlakbij haar huis gekomen, laat ze
opeens blijken best door te hebben wat er gaande was, want ze zegt: "Je
hebt het goed gedaan, jochie. En je hebt goed geluisterd". Gaandeweg was
namelijk het verhaal eruit gekomen: scheiding, financiële problemen, haar
ex-man die haar geërfd ouderlijk huis af wil pakken... "Stop hier maar",
zegt ze, "dan kan m'n zoon niet zien dat z'n bijstandsmoeder met een dure
taxi uit het café thuiskomt".
Een onbekend adres. Ik bel aan bij het nummer van de flat wat ik heb
doorgekregen. "Ja?", zegt een ietwat achterdochtige stem over de intercom.
"Taxi". "Oké, ik kom er aan". Ik stap weer in de auto en zie even later
een jonge vrouw vanuit de hal van de flat in het donker naar buiten kijken
of inderdaad de taxi er staat. "Europalaan", zegt ze, als ze is ingestapt.
En ik realiseer me dat ze prostituée is. Aan de Europalaan staan bijna
alleen drugshoertjes. Zou zij ook verslaafd zijn? Ik begin een praatje, en
zij vertelt. Wat ik hoor schokt me. Hoe bestaat het, dat er telkens weer
dingen kunnen zijn die nog weer verder gaan dan je al dacht te weten. Als
ze verteld heeft dat ze hier een jaar geleden mee begonnen is om haar
studie te bekostigen, en dat ze nu afgestudeerd is, maar dit nog een
jaartje doet, zolang ze nog niet weet wat ze zal gaan doen, zegt ze
opeens: "Ik heb nu in drie avonden een maandsa­laris. Ik heb weinig
concurrentie, want de anderen zijn ver­slaafd of omgebouwd". "Omgebouwd?",
reageer ik ongelovig. "Jazeker, meer dan de helft is travestiet", zegt ze.
"Maar dat merken die mannen die hen in de auto nemen toch", vraag ik
verbijsterd. "Vaak niet eens", zegt ze. "De meesten willen toch anale
seks".
Over de computer krijg ik een adres in de Hardebollen­straat. "Wat zal het
zijn", denk ik, "een klant of een prostituée?". Als ik voorrij bij het
bestelde huisnummer gaat de deur al open. Een prostituée van een jaar of
vijftig, in vol ornaat, reikt wat plastic tassen aan aan twee jonge
vrouwen die haar "mama" noemen, en neemt afscheid van hen. Naar het
Station. Ze blijken afkomstig uit de Dominicaanse Republiek en ik zie
opeens hoe schrijnend het is dat wij als Nederlanders, als Nederland de
Dominicaanse, Oekraiense, Afrikaanse mama's van zoveel kinderen beklimmen
en onteren.
Er stapt een man in, die overduidelijk homofiel is. Hij doet al het
mogelijke om dat ook zeer duidelijk te maken. Overdreven beweegt hij,
gebruikt met hoge stem allerlei ver­wijfde woordjes en probeert zichzelf
en zijn manier van leven me op te dringen. Er is duidelijk geen neutrale
grond voor hem. Hij is een strijder aan het homofiele front, en iedereen
moet er aan geloven. Ik hou hem volledig buitenboord, en laat hem tegelijk
de openheid en liefde van de Here voelen. Merk­waardig hoe de Here Jezus
dat tegelijkertijd in je kan geven, in je kan zijn. Niets van het vuil
wordt aanvaard, maar wie hij bedoeld wordt is welkom, wordt bemind. Hij
heeft iets van beide gemerkt, en aan het eind van de rit spreekt hij zijn
waardering daarover uit.


Een schuchter, aardig meisje, een jaar of twintig, stapt op het Centraal
Station in. Naar het Zandpad, de woonboten. Ze komt uit Polen en woont in
een andere plaats in Nederland bij haar oma. Hoewel ze nog maar een aantal
jaren in Nederland is, spreekt ze onze taal al vrij goed. Op het Zandpad
gekomen, vraagt ze me of ik even wil blijven wachten tot haar collega de
kamer zal verlaten, waar zij de rest van de nacht voor het raam zal
zitten. Het is vijf voor negen in de avond, en om negen uur wisselt de
nachtploeg van prostituées de dagploeg af. Het was niet voor de kou dat ze
niet buiten wilde staan, maar om de mannen die daar rondliepen.
Merkwaardige ziel van ons mensen, met een geschiedenis die God alleen
kent. Ik weet dat Zijn hart uitgaat naar al die geknakte en gekneusde
levens die schuilgaan achter de blote humbug achter al die ramen, en
achter de eenzame staarders in de auto's er voor.
Over Neude komt een grote, sterke kerel met aan beide zijden een mooie
vrouw aan lopen. Het blijkt een pooier met twee van zijn meiden te zijn.
Ze komen uit Litouwen en praten achterin zachtjes met elkaar in hun eigen
taal. Op de plaats van bestemming neemt hij afscheid van hen met een
stevige zoen, en praat teder over zijn meiden.
Vier zakenmensen stappen in. Keurig in het pak, een strak, zwart koffertje
op de knieën zitten ze voor- en achterin. Maar door de auto golft opnieuw
onophoudelijk het braaksel van perverse geesten. Een van hen,
gedistingeerd, is de aansteker, maar de anderen stoppen hem niet, maar
vallen bij. De man is geobsedeerd door kinderen. Maakt vieze grapjes over
seks met kinderen. wijst op een klein meisje op straat en noemt haar een
lekker ding. Het golft door, tot deze heren uitstappen voor het chique
restaurant waar ze gaan dineren. Ik bedenk dat de laatste tijd in de
gesprekken van mensen in de taxi dit steeds vaker voorkomt. Satan is bezig
het volgende taboe te doorbreken. Kinderen zijn niet langer heilig. Ze
zijn prooi.
Een zakenman wil van het restaurant waar ik hem ophaal, terug naar de
Jaarbeurs, waar hij zijn stand heeft staan. Heel de week, zolang de
Vakbeurs duurt, bivakkeert hij in Utrecht en nu, in de avond, wil hij nog
even een aantal dingen op zijn stand nakijken voor hij naar bed gaat in
zijn hotel. Hij heeft het over zeven vette jaren voor zijn business.
Lachend, maar ik voel dat de Here iets door mij heen tot deze man zegt,
zeg ik hem: "Nou, dan weet u wat daar op volgt, en wat u nu moet doen".
Maar hij weet het niet. Kent de geschiedenis van Jozef in Egypte helemaal
niet, en vraagt wat ik bedoel. "O", doe ik luchtig, "dat staat in de
Bijbel, de geschiedenis van Jozef. In de zeven vette jaren moest hij van
God opzij leggen voor zeven magere jaren die zouden volgen". Als hij is
uitgestapt, kijkt hij nog even naar binnen en zegt met een ernst die
aangeeft dat hij ook voelde dat er iets tegen hem persoonlijk gezegd werd
wat boven mij uitsteeg: "Bedankt voor de goede raad". Iederéén heeft een
hemelse Vader, en op een wonderlijke manier maakt Hij Zijn liefde
onverwacht duidelijk.

Op geen moment komt schrijnender de situatie van ons land en ons volk naar
boven als op zondagmorgen. Wanneer van zo half zes tot een uur of zeven de
bars en discotheken zijn leeggelopen, en de taxi's de duizenden jongeren
her en der in de stad en in de dorpen er om heen naar hun huizen gebracht
hebben, wordt de stad stil. Uitgestorven. Tot een uur of half tien,
wanneer de eerste kerkgangers -hier eentje, daar twee- zich naar de
kerken, verspreid over de stad begeven. Hoe triest, hoe ontzagwekkend
triest dat ze elkaar zijn misgelopen. Hoe hemelschrijend dat ze zich
elkaars bestaan nauwelijks bewust zijn. Die over heel de stad verspreid
overal in de huizen duizenden jonge mensen, die nu hun roes liggen uit te
slapen, moe gefeest, - en die keurige mensen, die daar bijna verloren op
de grote pleinen en over de lege straten lopen. Wat is er veel mis. Wat is
er heel veel mis. En we weten het niet. We denken dat het goed gaat. O,
niet met die jonge mensen, en niet met Nederland, natuurlijk niet. Dat
gaat hollende achteruit. Maar met ons, met ons gaat het wel goed. En we
lopen door de stille zondagmorgen naar de kerk van onze kleur. Groeten
verheugd onze broeders en zusters. Fijn toch, om elkaar weer te zien.
Respectabele lieden zijn we, keurige mensen. Gered. "Want het bloed van
Jezus Christus reinigt ons van alle zonde". En we vertrouwen daarop. En we
houden van de Here. Maar het land gaat naar de bliksem. En de jongere
generatie zijn we misgelopen. En dat er een geestelijke strijd gaande is
om ons land, we hebben er geen weet van. Laat staan dat we op onze post
staan als soldaten in het leger van onze Here Jezus. Wat kan die
afschuwelijke geredheid van Gods kinderen in dit land toch eindelijk
breken?! Is het misschien Gods huilen over ons land? Is het misschien Gods
huilen over Zijn kinderen, die zich niet bekommeren over wie Hem zo ter
harte gaan?

---


Misschien bent u tijdens het lezen van de voorgaande pagina's wel eens
misselijk geworden; heeft u eigenlijk al dat vuil weg willen schudden, en
weer door willen gaan met uw geredde leventje. Maar het kan niet; het mag
niet. Nooit meer! Er moet iets veranderen. Heel dringend, en heel sterk.
Waar we in de voorgaande pagina's doorheen zijn gegaan, was een riool. En
iets van die stank zit nu in onze kleren. Maar wilt u respectabel en
keurig blijven als Uw God en Verlosser Zich daar niet om bekreunt, maar
huilend door de stad en door het land gaat, en nog meer en ergere gruwelen
ziet, dagelijks, ieder moment, dan in het voorgaande. Hij, de Heilige,
Wiens heiligheid op geen enkele wijze door al deze viesheid en vuilheid,
gemeenheid en perversie kan worden besmet, schaamt Zich niet om door dit
riool van ons land te waden. Hij, de hoogheilige, kwam onder ons leven om
ons juist uit dit riool te redden. Hij is ook nu nog onder ons, in dit
land, en zoekt Zich uit te drukken door ons, Zijn kinderen. Nergens is Hij
meer verbroken van, dan van het gebrek aan bewogenheid van Zijn kinderen.
Hij ziet dat hun levens zich zo maar dag aan dag aaneenrijgen, zonder dat
hun omgeving werkelijk verandert. En de tijd raakt op! Wat blijft Hem
over, dan Zijn beminden, Zijn lieve kinderen, hun egoïsme af te leren,
zodat eindelijk heel het land Jezus gaat zien.
Aan het begin van ons volksbestaan waren onze voorouders dit afschuwelijke
egoïsme volledig kwijt. En Jezus wèrd zichtbaar. En velen wèrden gered.
Onze voorouders, aan de vooravond van ons bestaan als zelfstandig volk,
onder de Spaanse bezettingsmacht, verduurden de druk van aanbrengers om
hen heen, die uit waren op de door de bezetter beloofde beloning van de
helft van hun bezittingen. De rest ging naar de bezetter. De levens van
hen die op Jezus alleen vertrouwden, waren het fundament waarmee Jezus
Zelf de grond legde voor Holland. Telkens als weer een kind Gods op onze
bodem, in onze steden in brand gestoken en vermoord werd, meer dan vijftig
duizend keer, was Hij het die overwon. Niet Zijn vijand, die deze lage
landen aan de zee in zijn duistere greep wilde houden. Telkens als weer
een van onze voorouders en hun kinderen Jezus en leven met Hem
belangrijker vond dan al het andere, was dat een klap in het gezicht van
satan; werd zijn macht in de hemelse gewesten boven ons land zwakker en
zwakker. Daar op die brandstapels en op die pijnbanken werd de strijd
gestreden en de overwinning over de vijand behaald. Wat zich later
militair en politiek voltrok, in het zelfstandig worden van ons land,
Nederland, was slechts verzilvering van al die meer dan vijftigduizend
overwinningen!
Zo groot is Gods liefde voor ons land, dat Hij "gegrond heeft op de zeeën,
en gevestigd op de rivieren" (Psalm 24:2), dat Hij niet wil dat dit land
opnieuw wegzinkt in de golven. Diep is de liefde en onverbrekelijk de
trouw van de God Die aan het begin van elk waarachtig vertrouwen op Hem
staat. Wij, Zijn kinderen, hebben het lot van dit land in handen. Blijven
onze handen slap, dan zinkt alles weg. Komen wij voor Zijn aangezicht, dan
gaat Hij ingrijpen. Alle macht in hemel en op aarde behoort onze God toe.
Maar Hij ontzet Zich als er geen voorbidders zijn. Als Zijn kinderen zich
niet laten gebruiken om Gods zegen naar beneden te bidden, om als Daniël
God te herinneren aan Zijn beloften, en net zo lang aan te houden tot Zijn
antwoord, tot Zijn ingrijpen komt, dan zal onze God Zelf in liefde het
land en Zijn kinderen wakker moeten schudden. Des te dieper we slapen, des
te sterker moet Hij schudden. Laat dat niet nodig zijn!!! Waak op! Daniël
was een balling in een vreemd land. Toch zocht hij het goede ervoor,
diende onder meerdere vorsten als minister. Maar nooit hield hij op te
bidden voor de doorbraak van Gods koninkrijk. Het land, de aarde behoort
de HERE toe. Het land, de aarde moet voor Hem worden teruggewonnen. Niet
langer mag de vijand zijn vuige gang gaan, en stukje bij beetje totale
grip op alles krijgen. De hemel boven Holland moet weer open waaien. Het
licht van God, liefelijk, wil ons weer beschijnen, ons allen! Dacht u dat
dat te groot een visioen was? Te groot voor de God Die in zes dagen alles,
van het kleinste dier tot de grootste berg, schiep?
Weet u wel hoe persoonlijk God u kent?! Weet u wel dat Hij een plan klaar
heeft liggen, uniek en speciaal voor u?! Nie­mand anders kan dat
vervullen. En de levens van duizenden, misschien wel miljoenen hangen daar
van af. Als u wandelt in die heel speciale roeping die uw hemelse Vader in
de Here Jezus voor u heeft, gaan de dingen om u heen veranderen. Hij leidt
u van het een naar het ander, zoals eens de apostelen werden geleid, en al
die broers en zussen die in de tijd na Pinksteren leefden. Wat was hun
geheim? Zij wisten van het plan, en gaven zich aan de Here over om hen
daarin te leiden. En zo gehoorzaamde Filippus aan de stem van de Here, Die
hem zei: "Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg, die van
Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is". En door te gehoorzamen aan
Gods stem, wandelde hij in Gods plan voor zijn leven voor die dag. Hij
vond een Moorman op terugreis, volgde Gods aanwijzing, en leidde hem tot
Jezus.
Bij u begint het! Bij uw vragen aan uw Here en Verlosser om Zijn heel
persoonlijk omgaan met u meer te ervaren. Bij uw vragen aan Jezus, de Zoon
van God, uw Vriend, of Hij Zijn diepste geheimen met u wil delen, of Hij
Zijn diepste verlangens u wil vertellen, of Hij met u door de dag wil
gaan, door de keuken, en de garage, en of Hij wil zeggen wat u in al die
situaties moet doen en zeggen. U hebt een Vriend Die heel de dag met u
door wil brengen, Die u Zijn diepe, heel persoonlijke liefde voor u, in
wie u bent, en wat u meegemaakt hebt, telkens in zoveel onverwachtse
momenten en op zoveel wonderlijke manieren zo lief toont.
Zo begint het. Bij u. Bij uw verlangen en vragen naar Hem. Of het zwarte
wolkendek boven Holland straks breekt, of de zon doorbreekt van Gods
liefde voor ons allen, hangt af van u. Of u bereid bent achter uw
Verlosser en Vriend door de woestijn te trekken naar het beloofde land.